Je hebt een goede camera en je stelt scherp op de hond. Toch zit er steeds nét geen echte scherpte in je foto. Voordat je gaat twijfelen aan je apparatuur, wil ik dat je één ding doet: kijk waar de foto wél scherp is. Dat vertelt je vaak al heel veel.
Is de hele foto bewogen?
Zie je over het hele beeld kleine veegjes of dubbele randjes? Dan kan je sluitertijd te lang zijn voor je eigen beweging of die van de hond. Beeldstabilisatie helpt tegen camerabeweging, maar zet een bewegende hond niet stil.
Kies een kortere sluitertijd en maak nog een foto. Ook bij een portret beweegt een hond: een oor draait, de kop kantelt en dat ene pootje schuift. Hoe snel je moet fotograferen, hangt af van die beweging, je lens en je eigen stabiliteit.
Is de neus scherp en zijn de ogen zacht?
Dan kan je scherpstelling op de neus liggen, of je scherptediepte is zo klein dat de ogen buiten het scherpe gebied vallen. Dat gebeurt bijvoorbeeld als je dichtbij fotografeert met een groot diafragma, zoals f/1.4 of f/1.8.
Stel bewust scherp op het dichtstbijzijnde oog en probeer een wat kleiner diafragma, bijvoorbeeld f/2.8 of f/4. De juiste keuze hangt ook af van de afstand en de houding van de kop. Een zachte achtergrond blijft mogelijk als je je afstanden goed kiest.
Is juist het gras vóór de hond scherp?
Dan heeft de autofocus waarschijnlijk een ander onderwerp gepakt. Kies een scherper afgebakend scherpstelgebied, houd de hond goed onder je focuspunt of controleer de werking van de oogdetectie.
Beoordeel de oorspronkelijke foto op je computer. Een verkleinde afbeelding of een sterk uitgesneden voorbeeld kan een ander beeld geven. Extra verscherpen maakt een verkeerd scherpgestelde opname niet alsnog echt scherp.
